Anton Rooskens (Griendsveen, 1906 - Amsterdam, 1976)
Anton Rooskens bezocht van 1924 tot 1934 de technische school in Venlo
en ging daarna in de leer bij een instrumentenbouwer. In 1935 vestigde
hij zich in Amsterdam. Als schilder was hij autodidact. In het werk dat
hij in de dertiger jaren maakte - voornamelijk landschappen - was de
invloed van Van Gogh overheersend.
In 1945 bezocht Rooskens de
tentoonstelling 'Kunst in vrijheid' in het Rijksmuseum in Amsterdam,
waar hij werd geconfronteerd met Afrikaanse sculpturen en
voorouderbeelden uit Nieuw-Guinea. De vereenvoudigde strakke vormen van
deze kunst zijn terug te vinden in zijn werk van vlak na de oorlog,
waarin ook sprake is van beïnvloeding door het kubisme.
Vanaf
1946 had Rooskens regelmatig contact met Appel, Corneille en Brands. In
1948 leerde hij Constant kennen. In hetzelfde jaar was hij
mede-oprichter van de Nederlandse Experimentele Groep, die later opging
in CoBrA. Rooskens nam deel aan de roemruchte tentoonstelling in het
Stedelijk Museum in 1949. Onmiddellijk daarna trok hij zich terug uit
de beweging.
Het contact met CoBrA bleek voor Rooskens zeer
stimulerend. Hij ontwikkelde een eigen taal van magische tekens in
indringend zwart, geel, oker, blauw en rood en schilderde composities
waarin maskers, schilden en godenbeelden verstrengeld raken in een
wirwar van spontaan neergezette kleurvlakken en lijnen, die ondanks dat
toch een zeker evenwicht bezitten.
In 1954 schilderde hij
onder invloed van Afrikaanse kunst korte tijd in een geometrische
stijl. Vanaf 1956 zette hij in een steeds bewogener trant abstracte
tekens op grote doeken waarin de met forse streken opgebrachte zwarte
verf een prominente aanwezigheid heeft. Halverwege de jaren zestig
doken de aan de CoBrA-periode herinnerende fantasiewezens weer op. Tot
aan zijn overlijden in 1976 waren zijn schilderijen vanaf dat moment
lichter van toon.